Mijn trainingen

Covermodellen

Onze covermodellen voor de lens
Roos Van Acker

Events

P-skireis

WIELERBLOG - Mijn Granfondo-debuut: Zot zijn doet wél zeer!

10 jun '11 door JonasH

Zondag 5 juni. 16 uur. Boven Hamoir lijkt het alsof iemand plots het licht uitknipt. Het wordt donker. De nacht valt, weliswaar een paar uur te vroeg. Tegelijkertijd lijkt het alsof iemand ginderboven de douchekraan een ietsiepietsie heeft opengedraaid. Je kent dat wel: een paar dikke druppels, elk met tussenpozen. Nat word je er niet van, tenzij de kraan straks helemaal wordt opengedraaid natuurlijk. ‘Tijd om naar huis te gaan’, zegt chauffeur Chris. De rest van het gezelschap zwijgt en staat recht. Want zwijgen is instemmen. Ik ben de enige die lawaai maakt. Veel lawaai zelfs. Want de kramp die bij het rechtstaan plots van in mijn rechterkuit tot ergens net onder mijn linkeroorlel schiet, is ongeveer even pijnlijk als de ultieme wee bij een vrouw met een te smal bekken die aan het bevallen is van een reuzenbaby (een beetje dichterlijke vrijheid mag hier omdat ik in deze onmogelijk uit ervaring kan spreken). Deze kolossale kramp is het rechtstreekse gevolg van wat zich de voorgaande uren op de fiets heeft afgespeeld.

 

Rewind. Acht uur ’s morgens. Chris, Dominic, Wouter en ondergetekende rijden Hamoir binnen. De ene al iets zenuwachtiger dan de andere. Ik ben die ene. Voor mij is dit immers mijn Gran Fondo-debuut en dan mag een mens al eens zenuwachtig zijn. Alle argumenten om mezelf te sussen zijn goed. Chris, een oud-strijder van vele Gran Fondo-veldslagen (de meeste weliswaar vanuit de achtergrond), is bepaald ontstemd over de matige opkomst van collega-Gran Fondoërs. ‘In mijnen tijd - toen de dieren nog spraken, België nog een regering had en de Gran Fondo Ardennaise nog gewoon de Gran Fondo Eddy Merckx heette - stond hier minstens tweeduizend man aan de start.’ Dit jaar zal het een pak minder zijn, zoveel is duidelijk als we ons naar de start begeven en ondertussen nog snel even Bart ‘Buiten Categorie’ Bury groeten. Dominic is de enige van ons viertal die een bevoorrechte startplaats heeft kunnen bemachtigen en met een gevoel dat alleen een paar gediscrimineerde, sociaalminderbedeelde en achtergestelde landgenoten moeten kennen, begeven Wouter, Chris en ik ons naar het startvak voor het plebs onder de cyclotoeristen. Tot Wouter en ik worden aangesproken door twee mensen van de organisatie. Ons nummer hangt verticaal aan onze zadelpen en dat is niet slim, aldus het tweetal. ‘Op die manier werkt jullie chip niet. Die moet horizontaal hangen.’ ‘En als we nu eens zo de start en finish overschrijden?’, vraag ik terwijl ik mijn carbonnen ros met één wiel de lucht insteek waardoor mijn nummerplaatje toch horizontaal komt tehangen. ‘Dat zal niet marcheren’, is het droge antwoord. Humor is dit duo vreemd. Raprap nog onze plaatjes wisselen waardoor we, intussen hartslag 145 (ik overdrijf een beetje om het allemaal wat dramatischer te maken), slechts twee minuten voor tijd onze plaats aan de start innemen. Wouter en ik staan helemaal achteraan. Dat, en mijn immense schrik om door een peloton te laveren, voorspelt weinig goeds.

 

Ik zou graag willen schrijven dat plots het startschot weerklonk en ik meteen naar voren schoot, op zoek naar de kop van de wedstrijd. Helaas, van een startschot is geen sprake - toch niet op de plaats waar wij staan, en van dat naar voren schieten komt nog minder in huis. Integendeel. Tegen dat we effectief de startlijn overschrijden, zijn de elf man én de paardenkop die nog achter mij stonden me al vlotjes voorbijgereden. Gelukkig begint de GFA met de Xhoris, een 3 km-lange loper op een brede baan en dus echt op mijn lijf geschreven. Meteen op de grote plateau, op het linkervak en... Gaan! Zonder al te veel forceren, hartslag constant onder de 165, zoef – lees: puf - ik heel wat mensen voorbij. Net voor de top kan ik op mijn eentje aansluiten bij een omvangrijke groep die in stevig tempo naar Les Chambralles trekt. In dat tussenstuk blijf ik grotendeels 30 meter achter de groep hangen, ongemakkelijk positie kiezend op mijn zadel vanwege het gigantische ei in mijn broek. Ik en pelotons, het zal nooit wat worden.

 

Ik vraag me af waar ik me precies in de koers bevind en dankzij een gesloten overweg een paar kilometer voor Les Chambralles, kom ik het antwoord te weten. In het eerste, weliswaar zeer uitgebreide, petolon! Op Les Chambralles, de Niaster en de Warmonfosse telkens hetzelfde verhaal: bergop kan ik mooi en gestaag opschuiven zonder forceren waarna ik in de afdaling en de vlakke tussenstukken telkens wat plaatsen verlies (maar minder dan ik er tijdens het klimmen win). Na de Warmonfosse denk ik zowaar een ideaal groepje gevonden te hebben, maar in de afdaling die volgt, moet ik plots een gaatje laten. En dan gebeurt het. Ik rijd
stomweg rechtdoor, waar ik normaal gezien rechtsaf moet, richting Xhierfomont. De reden? Een grote groep Hollanders die plots voor me uitrijdt en niet het parcours van de GFA volgt. Ik volg domweg de Hollanders en niet het pijltje op de grond. Pas twee kilometer verder – bergop dan nog - heb ik mijn vergissing
door. U-Turn dus. Een resem scheldwoorden die ik niet opnieuw ga gebruiken omdat mijn mama me beleefd heeft opgevoed, en ruim acht minuten later bevind ik me weer op het GF-parcours. Maar mijn wegvergissing heeft desastreuze gevolgen. Plots kom ik in groepjes terecht die veel trager klimmen dan ikzelf en ook op het vlakke niet snel genoeg gaan naar mijn goesting. Op de Xhierfomont, de Ancienne Barrière en de Daisomont rijd ik dus op eigen tempo omhoog, van groepje over eenzaat naar duo. Lastig! Slechts één luttele keer word ik zelf voorbijgereden, op de Daisomont, door een man die mijn vader kon zijn (met dat verschil dat
mijn vader bijlange niet zo snel fietst en mijn vader wél een bierbuik heeft). Ik hem achterna, want ik ga echt wel sneller als ik een mikpunt hebt. Aanpikken lukt, overnemen niet. Zeker niet in de afdaling richting Stavelot. En daar doemt hij dan plots op: de Stockeu, ofte de Ardeense Helleweg. Rechtsopdraaien, terugschakelen – omgekeerde volgorde was wellicht beter geweest – e... Afzien! Ik sleur me die eerste steile stroken omhoog en moet mijn metgezel al snel
laten rijden. Als ze Bart De Wever hier ooit met een fiets omhoogsturen, haat hij Wallonië als nooit tevoren. Of sterft hij na anderhalve meter aan een crise cardiaque, inspanningsastma of een zadel dat doorschiet en eerst zijn darmen doorboort vooraleer hem helemaal te spietsen. Wallonië haten, of sterven doe ik vooralsnog niet, maar als die verdomde Stockeu nog een paar honderden meter langer was geweest, misschien wel.

 

Na de Straf van Stavelot ben ik weer helemaal alleen. Gas open dan maar en hopen dat er straks een geschikt groepje me voor de wielen komt rijden. Maar het is geen groepje dat ik inhaal maar een einzelgänger die mij voorbijscheurt: Timper (een van de mannen die voor de toptien in aanmerking kwam, maar door veelvuldige pech al snel achterop belandde). Ik hou er bijna een verkoudheid aan over. Dankzij die halve kilometer in Bruno’s slipstream vind ik ook aansluiting bij een groep waar ik de resterende kilometers mee kan afleggen. Bergop ben ik duidelijk bij de beteren, en ook op het vlakke mag het voor mij net iets sneller gaan. Een paar keer kom ik alleen te zitten – vooral bergop, maar het nutteloze van een solo-onderneming gaat me snel dagen. Chasse patate, of hoe heet dat in frituurtermen? Ik hou me dan maar schuil in de groep en richt mijn aandacht nu vooral op het tegengaan van opkomende krampen. En dat is makkelijker gezegd dan gedaan, zeker als je bidons bijna net zo leeg zijn als het hoofd van Lesley-Ann Poppe. Toch geef ik er op de laatste helling van de dag, de côte de Jenneret, nog een lap op. Tot mijn spijt gaat niemand mee, en dus besluit ik er de laatste 17 kilometer nog een ultiem tijdritje uit te persen. Voluit kan ik echter niet meer gaan, want momenteel is mijn lichaamsleuze: ‘Krampen hier, krampen daar, krampen overal.’ Terwijl ik voor de zoveelste keer zit te sterven op een zoveelste hellende stuk in die laatste 15 kilometer, moet ik denken aan de foutheid van het spreekwoord ‘Zot zijn doet geen zeer.’ Want mijn benen doen ongetwijfeld zeer, euh, zeer. En aangezien ik me deze pijn volledig vrijwillig aandoe en ik helemaal geen diehard-sm’er ben (check maar bij mijn halve trouwboek), moet ik dus wel zot zijn. Stekezot! Maar als ik vijftien kilometer later als 146ste de finish overschrijd – ik hou mijn voormalige compagnons de route achter mij en heb zelf nog een aantal stervende zwanen (of, aan hun ademhaling te horen, zieke koeien) ingehaald – kan ik alleen maar denken: ‘Zot zijn maakt gelukkig.’ Vandaag toch.

 

Fast Forward. We zitten in de wagen en terwijl we napraten over deze fantastische cyclo – Dominic werd 37ste, Wouter 96ste en Chris finishte rond de 200ste plaats – barst de bui boven ons in alle hevigheid los. Maar er is niemand die het iets kan schelen.

 

 

De cijfers:

Afstand: 169 km (4km meer dus dan het officiële parcours)

Tijd: 5u44

Gemiddelde snelheid: 29,4

Hoogtemeters: 2850

Gemiddelde hartslag: 145.



     Mail door                   
Om te kunnen reageren moet je ingelogd zijn. Log in of registreer indien nodig.