WIELERBLOG: Mijn eerste bloemen!
9 sep '10 door JonasH“Maar vier uur geslapen? Ai! Dat is de komende twee weken absoluut not done. Rust is even belangrijk als uw trainingen. Het zijn die details die het verschil gaan maken. Dus vanaf nu op tijd onder de lakens. Dat is een bevel!” Ziehier de sms van Kristof De Smet, mijn Energy Lab-coach, die ik de dag voor de tijdrit in Wingene kreeg. De reden? Wel, euh, het feit dat ondergetekende de avond voordien tot half vier op café had gezeten – weliswaar zonder één druppel alcohol te nuttigen – en dat zich dat de volgende dag na amper vier uur slaap (dankuzeer kindjes!) op training nogal liet gevoelen. Het plan om er een intensieve blokjestraining van minstens 3 uur van te maken, mocht na 50 kilometer, twee blokjes van 10 minuten aan hartslag 160 en een lijdensweg naar de top van de Edelare (dat is niet eens een klim, verdomme!) de vuilbak in. Want vanaf dan weigerde mijn Polar plots nog boven de 150 te gaan. Of mijn hart, dat kan ook. Feit is dat ik de rest van de intensieve blokjes schrapte, mijn trainer sms’te, de laatste vijftig kilometer op het gemakske aflegde en dacht: die tijdrit in Wingene, dat wordt vast niks
.
Wingene, dat is het dorp waar ooit de varkenspest uitbrak. En de ziekte moet er redelijk hebben huisgehouden want terwijl ik Wingene en omstreken op mijn Ridley Dean doorkruis, zie ik geen enkel zwijn. Dat kan ook liggen aan het feit dat een tijdrijder weinig of geen oog heeft voor het landschap dat hem omringt, noch voor de supporters die langs de kant van de weg hun keel staan schor te schreeuwen. Een tijdrijder heeft enkel oog voor zichzelf, en het asfalt recht voor hem. En in Wingene voel ik me een tijdrijder. Vooral dankzij de aard van het parcours, dat wel op mijn lijf geschreven lijkt. Meer nog: als ik een parcours mocht uittekenen, zou het er eentje zoals in Wingene zijn. Lange, rechte stukken en amper vier bochten, waarvan ik er zelfs twee kan nemen zonder remmen. Prima voor iemand wiens bochtenwerk omgekeerd evenredig is met de eetlust van Bart De Wever. Sinds mijn tijdrit vorige week in Ettelgem weet ik dat goed doseren belangrijk is: niet te snel starten zodat ik me zeker niet opblaas. En: save the best for last, zoals the Rudinator – ofte Rudi De Boelpaep, een tijdritfenomeen in wielertoeristenmiddens zoals de meeste hier wel weten – me vooraf inpepert. De eerste 11 kilometer houd ik dus nauwlettend mijn hartslag onder controle. Vooral omdat de wind eerst pal op mijn neus en daarna in de flank blaast. Toch zakt mijn snelheid niet onder de 43. Nice! De laatste vijf kilometer blaast de wind in het gat en trek ik alle registers open. Ik schakel naar de 53/12 en probeer de motor in te halen die al de hele tijd voor me uitrijdt om de weg vrij te maken. Ik nader weliswaar geen meter, maar dankzij dit ideale mikpunt bedraagt mijn snelheid al snel meer dan 50 per uur. Dit vooral aanhouden! Op 2,5 kilometer van de streep bouw ik een rustmoment in – ik rij toch nog 48 per uur – om er daarna een langgerekte spurt uit te persen. Als ik de meet passeer, voel ik me als een uitgewrongen dweil. Een akelig gevoel dat snel verdwijnt als ik mijn Polar raadpleeg. 16,6 km in 21 minuten en 29 seconden lees ik af. Goed voor een gemiddelde snelheid van 46,3 per uur. Cijfers die me verrassen. En de verrassing wordt nog groter wanneer een uur later de prijsuitreiking plaatsvindt. Tot mijn grote verbazing is er binnen mijn leeftijdscategorie (-45 jaar) niemand sneller dan ik. En in de totale eindstand (op 65 deelnemers) word ik enkel voorafgegaan door the Rudinator, die nog eens 12 seconden sneller is dan ik. Mijn eerste zegebloemen ooit – in dit geval vooral ‘zegefles’ - zijn een feit. En zo voel ik me daar in Wingene toch een heel klein beetje koerspaard.
Ps: wie wil, kan me volgen op Facebook. En wel op deze Van Ezel tot Koerspaard-pagina.












Mail door








